HvJ EU: Luxemburgse implementatie btw-koepelvrijstelling is te ruim

Het Europese Hof heeft beslist dat Luxemburg de btw-koepelvrijstelling in strijd met de Europese Btw-richtlijn te ruim toepast. Luxemburg staat deze vrijstelling ten eerste ook toe als leden door de koepel verleende diensten tot maximaal 30% (of soms zelfs 45%) gebruiken voor belaste prestaties. Dit is in strijd met het vereiste in de btw-koepelvrijstelling dat de diensten van de koepel direct nodig zijn voor de vrijgestelde prestaties van de leden of voor de activiteiten waarvoor de leden geen btw-ondernemer zijn. Ook staat Luxemburg leden van de koepel ten onrechte toe inkoop-btw af te trekken voor kosten die aan de koepel in rekening zijn gebracht. Ten slotte moet Luxemburg btw heffen voor prestaties die de leden aan de koepel verlenen. Voor de toepassing van de koepelvrijstelling in Nederland kan vooral het eerste punt van belang zijn.

Achtergrond
De Europese Commissie is in 2015 een inbreukprocedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Europese Hof) gestart tegen Luxemburg, omdat Luxemburg de btw-koepelvrijstelling te ruim zou toepassen. Die praktijk is daarmee in strijd met het bepaalde in de Btw-richtlijn.

De koepelvrijstelling is van belang voor koepels (samenwerkingsverbanden) van organisaties die vrijgesteld presteren of geen btw-ondernemer zijn, zoals financiële instellingen, scholen, zorginstellingen en overheden. Onder voorwaarden zijn diensten van dergelijke koepels aan hun leden vrijgesteld. Omdat de leden geen (of eventueel beperkt) recht op aftrek van inkoop-btw hebben, voorkomt de koepelvrijstelling in deze gevallen extra btw-lasten door samenwerking.

De Commissie stelt zich op het standpunt dat de Luxemburgse implementatie van de koepelvrijstelling op drie punten onverenigbaar is met het Unierecht:

  • In Luxemburg kan de koepelvrijstelling ook van toepassing zijn op diensten van de koepel die de leden (mede) gebruiken voor hun belaste prestaties. Volgens de Commissie is dat in strijd met het vereiste dat de diensten van de koepel direct nodig zijn voor de vrijgestelde prestaties van de leden of voor de activiteiten waarvoor de leden geen btw-ondernemer zijn;
  • Een lid van een koepel kan in Luxemburg recht op aftrek van inkoop-btw hebben voor kosten die de koepel voor hem maakt (als het lid de ingekochte prestaties (mede) voor zijn belaste prestaties gebruikt). De Commissie is van mening dat een dergelijke overdracht van aftrekrecht aan leden van de koepel geen basis heeft in de Europese Btw-richtlijn en daarom ongeoorloofd is; en
  • Luxemburg stelt in bepaalde situaties ook diensten van de leden aan de koepel vrij. Volgens de Commissie geldt de vrijstelling echter alleen voor diensten van de koepel aan de leden. De leden zijn voor diensten aan de koepel daarom wel btw verschuldigd.

Advocaat-generaal Kokott had eerder al geadviseerd de Commissie op alle drie punten in het gelijk te stellen. Het Europese Hof is daar nu in meegegaan.

Gevolgen voor de Nederlandse praktijk
De toepassing van de koepelvrijstelling in Nederland is altijd al beperkter geweest dan die in Luxemburg. Niettemin is extra aandacht gewenst voor gevallen waarin leden individuele diensten van de koepel (mogelijk) gemengd gebruiken. Dat wil zeggen, mede gebruiken voor belaste prestaties, ook al is het in geringe mate. De vraag is of in deze gevallen wel wordt voldaan aan de voorwaarde dat de diensten van een koepel direct nodig zijn voor het verrichten van vrijgestelde prestaties of voor het uitoefenen van onbelaste activiteiten door de leden.

Overige procedures over de koepelvrijstelling
Er lopen momenteel nog drie andere zaken over de koepelvrijstelling bij het Europese Hof. Het betreft de zaken Aviva, DNB Banka en Commissie/Duitsland. De uitspraken in deze zaken zijn belangwekkender voor de toepassing van de koepelvrijstelling in Nederland. Onder meer is aan de orde of de vrijstelling ook geldt voor koepels van financiële instellingen.

In deze inbreukprocedure is dat voor de FS-praktijk relevante punt niet aan de orde gekomen. Uiteraard zullen wij u informeren zodra in de bovenstaande zaken arrest is gewezen voor het Europese Hof. Voor meer achtergronden verwijzen wij u naar onze nieuwsberichten over deze zaken.

Tot slot
Mocht u hierover vragen hebben, dan kunt u uiteraard contact met uw adviseur van PwC opnemen.

 

Bron: Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 mei 2017, zaak nr. C-274/15 (Commissie/Luxemburg)

Gerelateerde berichten:

Publicaties